Geplaatst op 3 oktober 2009 door Zanna op zaterdag

Geen schoonheidsprijs

ZannaHij mag de prijs hebben, ook al heeft hij een geweldig fout kapsel. Een Nobelprijs economie is immers geen schoonheidsprijs. Een groteske lok, een onnozel strikje, een vliegeniersbril, een steenpuist, het mag allemaal. Die heren van het Nobelprijscomité kijken naar verdienste, niet naar uiterlijk. Dus mag Robert Shiller hem dit jaar hebben, als 63ste laureaat in de 41-jarige geschiedenis van de 'Bank of Sweden Prize in Economic Sciences in Memory of Alfred Nobel'.

Dat die heren van het comité niet naar het uiterlijke kijken, valt trouwens na één blik op de laureatenlijst op te maken. Geen enkele vrouw prijkt daar op, mijne heren! Niemand! Niet Anna Schwartz, die Milton Friedman in 1976 aan zijn prijs hielp. Niet Joan Robinson, de grondlegger van de bedrijfseconomie. Niet Deirdre McCloskey. Dat laatste kan ik nog begrijpen. Een econome die al dertig jaar lang foetert dat het economisch denken een schrikwekkende knoeiboel is, mag niet verwachten dat ze voor die kruistocht tegen haar vakgebied de hoogste onderscheiding zal krijgen.

En niet Carmen Reinhart. Carmen wie? Geef maar toe, beste lezer, u kent haar niet. Nochtans is de Amerikaanse van Cubaanse afkomst zowat de meest gerespecteerde econome van het moment. En ze houdt van geschiedenis en psychologie, twee extra redenen om haar in het oog te houden. Een vierde reden: dit jaar schreef Reinhart samen met de veel bekendere econoom Ken Rogoff een financieel-economisch meesterwerk, met de vier allergevaarlijkste beurswoorden als titel - 'This time is different'. In alle eerlijkheid heb ik de turf nog niet gelezen. Maar omdat kleppers als The Economist, Niall Ferguson én mijn Nobelprijskandidaat Robert Shiller zeggen dat dit een topper is, heb ik hem wel meteen besteld.

Reinhart en Rogoff hebben in die 500 pagina's massa's statistieken gestoken, over bbp, inflatie, schulden, wisselkoersen, beursindexen, rentetarieven en grondstoffenprijzen van 66 landen over de voorbije acht eeuwen. Hun conclusie is dat, op zijn minst sinds 1800, echt wel veel veranderd is. Daar kan ik inkomen. De technologie is veranderd, de grootte van de gemiddelde mens, de wijze waarop we communiceren, mode ook - groteske haarlokjes zijn echt passé. Maar één ding is altijd gebleven, zeggen Ken en Carmen: de menselijke gave zichzelf wijs te maken dat 'het deze keer anders is', waarop een periode van euforie volgt die telkens weer in tranen eindigt. Het is aan ons, beleggers, om van die oneindige lus van manie en depressie zoveel mogelijk te profiteren.

Reinhart zal volgende week niet de eerste vrouw zijn om de Nobelprijs in ontvangst te nemen, ook al zou ze hem verdienen. Rogoff heeft al wat meer kans. Robert Shiller verdient hem zeker, want hij is simpelweg 's werelds grootste autoriteit op het gebied van financiële euforie. Meer nog: hij heeft de twee recentste bubbels (dotcoms en huizen) voorspeld en geeft bovendien zeer bruikbare tips om nieuwe bubbels te vermijden. Maar nu het op Amerikaanse leest geschoeide vakgebied van de financiële theorie zijn wonden likt, zal het comité het allicht niet kies vinden om een Amerikaan en een criticus van de modelmatige theorie te belonen.

Dus schuif ik een andere kandidaat naar voren: Jean Tirole. Hij is geen Amerikaan, maar een Fransman. Dat moet als een pluspunt gelden, want was het Amerika niet dat ons allemaal die crisis in de nek gedraaid heeft? Tirole heeft geen afgrijselijke haarlok, maar is netjes gekortwiekt. Hij kreeg een eredoctoraat aan een universiteit waar ikzelf urenlang rokjes versleet, ook een pluspunt. En hij zegt geen nare dingen over mijn vrienden van de financiële media, zoals Shiller onlangs. 'De media versterken het effect van zeepbellen. In primitieve maatschappijen heb je geen media en dus ook geen zeepbellen', zei Mr.Haarlok in Wirtschaftswoche. Neen, dat is juist, Robert. Je hebt er trouwens ook geen beurs.

Tirole is een expert in een economisch domein dat niet meteen te maken heeft met de crisis: de concurrentie tussen ondernemingen. En vooral, ik bezit een boek van hem, 'The Theory of Corporate Finance'. 'So what?', vraagt u zich af? Wel, beste lezer, het boek telt 644 pagina's, telt ruim dubbel zoveel voetnoten, drie keer zoveel moeilijke woorden en vier keer zoveel formules. Kortom, die kanjer is volstrekt onleesbaar. Als dàt geen Nobelprijs verdient!

Reacties

Onze blogs

Meer