Geplaatst op 13 januari 2011 door Lars Bové

Spionagezaak doet België blozen

Het grootste spionageschandaal ooit binnen de muren van de Europese instellingen is de fout van België. Jarenlang werd het Brusselse Justus Lipsiusgebouw bespioneerd. Daar vinden alle toponderhandelingen tussen de staatshoofden van de Europese lidstaten plaats. Het Comité I, dat onze inlichtingendiensten controleert, onthult in een nieuw rapport het voor België allesbehalve rooskleurige verhaal achter het spionageschandaal.

De bal ging aan het rollen op vrijdag 28 februari 2003. Een technicus die een storing onderzocht in een van de vertaalcabines in het Justus Lipsiusgebouw, ontdekte afluisterapparatuur waarmee de Britse delegatie bespioneerd werd.

Luttele dagen later, op 4 maart, begon het veiligheidsbureau van de Europese Raad een onderzoek. De toplui van het veiligheidsbureau - oud-gedienden van de Belgische staatsveiligheid - vroegen enkele ex-collega's om hulp, met de uitdrukkelijke wens het gerecht nog niet in te lichten. Al de volgende dag startte het kleine groepje geheim agenten een 'covert action' op. Ze plaatsten verborgen camera's in drie lokalen van het Justus Lipsiusgebouw.

Op 7 maart legden de geheim agenten de ontdekte afluisterapparatuur ook voor aan een technicus van de Belgische telecomregulator BIPT. Dat gebeurde 'discreet' in een bestelwagen op de parking van het Justus Lipsiusgebouw. Het spionagetoestel bleek gekoppeld aan het vertaalsysteem. Het kon alle gesprekken in de vergaderzalen opnemen en via zendapparatuur doorsturen.

Le Figaro

Het afluisterschandaal breidde zich uit. Op 10 maart werden nog drie gelijkaardige zwarte dozen ontdekt, die verbonden waren met de telefoontoestellen van de Franse, de Spaanse en de Duitse delegatie. Meteen installeerden de agenten van de Staatsveiligheid extra camera's. De volgende dag werden de afgeluisterde delegaties en hun respectieve inlichtingendiensten op de hoogte gebracht. Op 13 maart bracht de Staatsveiligheid ook toenmalig premier Guy Verhofstadt en zijn ministers van Justitie en Buitenlandse Zaken op de hoogte.

Maar op 19 maart werd de valstrik met de camera's afgeblazen. Die dag bracht de Franse krant Le Figaro het hele spionageschandaal in de openbaarheid.

De volgende dag waarschuwde de baas van de staatsveiligheid Koen Dassen in een nota (zie inzet) aan de regering dat de affaire 'ernstige gevolgen' kon hebben voor ons land zodra naar verantwoordelijkheden zou worden gezocht. Dassen verwees letterlijk naar 'de povere reactie van België' op de affaire. België had het Justus Lipsiusgebouw bovendien volledig ingericht aan de Europese Unie bezorgd. Als zou blijken dat het spionagemateriaal dan al in het gebouw aanwezig was, zouden de Europese instellingen misschien verhuizen naar een ander land. Zeker omdat al langer werd geklaagd over de fysieke bescherming van de Europese staatshoofden in Brussel.

Gezichtsverlies

Op 2 april werd de vrees van Dassen bewaarheid. De geheime diensten van Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Spanje concludeerden eensgezind dat de afluisterapparatuur er al was sinds 1994 of 1995, tijdens de constructie van het gebouw. En dat ze dus onder de verantwoordelijkheid van België viel.

Ook bij de daaropvolgende zoektocht naar de daders lijdt België gezichtsverlies, blijkt nu uit het rapport van het Comité I. Nochtans waren de verdachten meteen bekend. Al op 3 april 2003 bezorgde het veiligheidsbureau van de Europese Raad de Staatsveiligheid een lijst met vier verdachte 'technici'. Twee van hen hadden een opleiding gekregen bij het Israëlische telecombedrijf Comverse, dat het gecorrumpeerde vertaalsysteem had geïnstalleerd. Comverse was vermoedelijk een spin-off van de Israëlische geheime dienst Mossad. Het bedrijf werd eerder al gelinkt aan spionageschandalen in de Verenigde Staten en Nederland.

Op 17 juni 2003 bracht het federaal parket de politie en de Staatsveiligheid samen om het onderzoek te voeren. Toch kreeg de Staatsveiligheid pas een jaar later, op 31 augustus 2004, een eerste officiële onderzoeksvraag. Er kwam pas op 28 januari 2005 een antwoord op, bovendien in de vorm van een onvolledig dossier. Een interne nota van de Staatsveiligheid waarschuwde dat zo'n laksheid het imago van de geheime dienst zwaar besmeurde. Het duurde ook nog tot augustus 2005 voordat de Staatsveiligheid alle verdachte technici had gescreend. Daarna bleef het windstil tot februari 2006. In maart 2009 - zes jaar na de feiten - liet het gerecht huiszoekingen uitvoeren.

Ongehoord

Het Comité I - dat met zijn rapport moest wachten tot het gerechtelijk onderzoek klaar was - besluit dan ook dat de Staatsveiligheid allesbehalve efficiënt heeft gewerkt. Het onderzoek verliep 'ordeloos zonder structureel actieplan'. 'Er waren zeven secties van de Staatsveiligheid bij betrokken, maar niemand deed de coördinatie of de opvolging.' Het is ook ongehoord dat de diensten 'contraspionage' en 'analyse' pas zijn ingelicht nadat de zaak in de pers was uitgelekt.

De uitkomst van het onderzoek laat zich raden. Toen het Comité I zijn rapport schreef, was die nog niet bekend. Vorige week meldde het federaal parket dat het na meer dan zeven jaar onderzoek niemand zal vervolgen.

Lars BOVÉ
(Dit artikel verscheen op 11 januari 2011 in De Tijd)

Reacties

Onze blogs

Meer