Tony O'Driscoll: Informatiemaatschappij veroorzaakt tsunami van veranderingen
Het web staat voor veranderingen die zo ingrijpend zijn dat we ze op dit moment nauwelijks kunnen vatten. Sommigen zijn blijkbaar wel in staat een aantal grote richtingen aan te geven, zo ondervond ik op de virtuele conferentie vBusiness Expo (zie ook mijn vorige post).
Eén van de meest inspirerende presentaties tijdens de conferentie was die van professor Tony O'Driscoll van Duke University. Wat hebben Johannes Gutenberg, de uitvinder van de boekdrukkunst, Richard Trevithick, een pionier van de stoommachine, en de gebroeders Lumiere (bewegende beelden) met mekaar gemeen? Wel, zo legde O'Driscoll uit, het duurde telkens zo'n 50 tot 60 jaar om goede toepassingen te bedenken voor die uitvindingen.
- Boekdrukkunst:gedurende tientallen jaren werden enkel bijbels gedrukt. Pas na die tijd kwam men op het idee dat er mogelijk ook een marktvraag bestond voor andere gedrukte geschriften.
- Stoommachines: deze machines werden een hele tijd gebruikt in katoenmolens, vooraleer de locomotief werd ontwikkeld.
- Bewegende beelden: deze werden lange tijd gebruikt om toneelstukken te filmen. Toen kwam de uitvinding van de "cut" en hiermee ontstond ook de filmindustrie, een fundamenteel ander medium.
Wat leert ons dit over het internet met zijn evolutie van web1.0 (mensen toegang geven tot informatie), web2.0 (het toelaten van participatie en samenwerking) tot 3D-intenet (co-creatie in virtuele omgevingen)? Het moge duidelijk zijn dat heel wat baanbrekende ontwikkelingen nog moeten gebeuren en zelfs nog moeten worden bedacht.
Iedereen kent EBay. De meeste mensen werken helemaal niet voor dit bedrijf, maar toch is het een belangrijk economisch platform. Misschien maakt eBay ons iets duidelijk over hoe de eonomie en bedrijven er in de toekomst zullen uitzien, laat ons zeggen binnen 30 jaar of 50 jaar. O'Driscoll verwijst op zijn site Learning Matters! naar een studie van IBM’s Global Innovation Outlook waar wordt gezegd dat de toekomst wel eens zou kunnen bestaan uit een miljard éénpersoonsbedrijfjes - mensen die vrijelijk en frequent van project naar project overschakelen in functie van hun bekwaamheden, opportuniteiten en passies.
Er zijn andere tekenen, die minder spectaculair ogen maar die betekenisvol zijn. Tieners bedriegen. Zij gebruiken elektronische netwerken zoals Facebook om samen te komen en het huiswerk te verdelen. De wiskunde-bolledoos doet de wiskundetaken, iemand die graag schrijft maakt teksten die dan worden aangepast zodat het lijkt dat iedereen nog altijd zijn eigen huiswerk maakt. Dit maakt de leraren behoorlijk boos, maar eigenlijk oefenen deze jongeren in "collaboratieve co-creatie" met de internetmiddelen die ze ter beschikking hebben. Zij leren netwerken te optimaliseren en ontdekken dat zij op die manier meer kunnen gedaan krijgen. Tegelijk ondermijnen zij een aantal basiselementen van het onderwijs zoals dat nu is georganiseerd.
O'Driscoll probeert doorheen al die ontwikkelingen een aantal "vectoren" te onderscheiden. Hij vermeldt vier vectoren:
- Synchroon (samen op het zelfde moment) leren: denk aan webinars en videoconferencing, aan werkmiddelen zoals WebEx, Adobe, Citrix en LifeMeeting.
- Het delen van kennis: bijvoovbeeld het posten van slideshows op verzamelsites of in meer specifieke omgevingen (werktuigen zijn hier bijvoorbeeld SharePoint, Lotus TeamRoom, Yahoo Groups, Blackboard...).
- Web2.0 met de blogs, wikis, rss, tagging en sociale netwerken.
- Virtuele werelden: omgevingen waar mensen op immersieve manier contact hebben met mekaar om te trainen, spelen, leren of om samen zaken te ontwerpen.
Soms zijn het de minder spectaculair ogende dingen die grote gevolgen kunnen hebben. Neem nu het "taggen" bijvoorbeeld, het zetten van vrije trefwoorden bij allerlei informatiebestanden, in de meest ruime zin van het woord. In web2.0 krijgt vrijwel alles tags mee: teksten, audio, video, animaties maar ook profielen van personen. Dat bekekent dat men bijvoorbeeld een profiel op een sociaal netwerk zou kunnen aanvuilen met een wolk van tags die perfect laten zien waar die bepaalde persoon mee bezig is.
Op die manier zou duidelijk worden welke bestanden u heeft opgeslagen of gecreëerd, en dit weer in de meest ruime zin van het woord. U kan op die manier veel gemakkelijker worden geïdentificeerd en gecontacteerd door anderen die met eenzelfde soort projecten bezig zijn. Er wordt met andere woorden op die manier op een steeds dynamischere wijze met informatie omgesprongen.
Op Learning Matters! wordt dit alles omstandiger uitgelegd in deze tekst. Hier is een korte video:
O'Driscoll noemt ziet deze ontwikkelingen samenkomen in wat hij een vorm van "singulariteit" noemt, een technologisch zwart gat waar we doorheen moeten en dat een omwenteling zal betekenen voor het leren, werken, spelen en leven. Onze kinderen die alleen maar "de andere kant" van het zwarte gat zullen kennen, zullen zich niet kunnen voorstellen hoe het nu, heden ten dage, was, aldus een bevlogen professor.
Roland Legrand




Reacties