Google zet zijn (server)deuren open
Slimme bedrijven slagen erin zichzelf telkens opnieuw uit te vinden. Apple is vandaag bijvoorbeeld niet alleen een nichespeler op de computermarkt, maar ook en vooral de grootste muziekverkoper van de VS. Ook Google gaf zichzelf deze week een bijkomende identiteit: de zoekgigant zet voortaan zijn deuren open voor externe ontwikkelaars die op de servers van het bedrijf hun webtoepassingen kunnen plaatsen.
Google App Engine, zoals het project heet, klinkt daarmee als hopeloos late concurrentie voor de vele webhosts waaruit programmeurs en ondernemers vandaag kunnen kiezen. Grote en kleine spelers bieden tegen de meest uiteenlopende prijzen de plaats om een website neer te zetten en de servercapaciteit om toepassingen over het web te laten lopen. Dat Google zich met deze sector wil inlaten, betekent natuurlijk dat het bedrijf daar ook zelf beter van wordt.
Google wil immers een groot deel diensten volledig gratis aanbieden. Zo zou een websitebouwer pas moeten beginnen betalen vanaf 5 miljoen pageviews per maand. Het bedrijf bouwt met Google App Engine echter een grote gebruikersgroep voor zijn eigen diensten op. Google leeft van de verkoop van advertenties via Adsense, het prominent plaatsen van bepaalde websites op zijn zoekmachine en het opnemen van lokale KMO's op Google Maps. Hoe meer deze tools door programmeurs in hun webapplicaties ingebouwd worden, hoe groter de inkomsten voor Google. En uiteraard krijgt wie Google Apps Engine gebruikt quasi moeiteloos toegang tot dit soort tools.
Ook de centrale logingegevens die Google voor zijn eigen diensten gebruikt (Google Accounts), ziet het bedrijf liefst terugkomen in de applicaties die op App Engine hun thuisbasis vinden. Programmeurs hoeven hun gebruikersbeheer niet zelf te programmeren, maar kunnen die taak doorschuiven naar Google dat op die manier een groter gebruikersbestand opbouwt.
Raphael Cockx




Reacties