(tijd) - Wallonië en Brussel kunnen en moeten het economisch beter doen. Daarvoor zijn
kapitaal, arbeid en degelijk overheidsbestuur als bron van economische groei
belangrijk. De positieve dynamiek van het Marshallplan moet worden uitgebreid
naar Brussel dat financiële en institutionele middelen - een Europese hoofdstad
waardig - moet krijgen. Inefficiënte en ongelijkheid in het onderwijs moeten
weggewerkt worden als belangrijke oorzaken van de hoge werkloosheid. De
overheidsinstellingen moeten performantie-indicatoren krijgen voor
benchmarking, de benoemingen moeten worden gedepolitiseerd en het politieke en
het operationele niveau moeten beter worden gescheiden. Dat zijn de
belangrijkste conclusies van het manifest dat besproken wordt op het 17de
congres van de Franstalige economen.
Om de werkgelegenheid en het inkomen te doen toenemen, is het Marshallplan
zeker een stap in de goede richting: het probeert de levensvatbare krachten van
de regio samen te ballen en het steunt op comparatieve voordelen. Dat
noodzakelijk omdat het cruciaal is aantrekkelijk te zijn voor buitenlandse
bedrijven. De bedrijven met minstens 10 procent van het aandeelhouderschap in
buitenlandse handen zorgen immers voor 25 procent van de Waalse tewerkstelling,
74 procent van het onderzoek en ontwikkeling, en 65 procent van de export.
De verschillende plannen voor Brussel hebben lang niet de omvang van het
Marshallplan, zelfs als we rekening houden met de verschillen in schaalgrootte
tussen de regio's. Brussel heeft uiteraard andere problemen dan Wallonië. De
werkloosheid is er hoger dan in Vlaanderen en Wallonië, omdat vraag en aanbod
op de arbeidsmarkt niet op elkaar zijn afgestemd. Daar komen nog eens de
problemen met infrastructuur, mobiliteit, levenskwaliteit, menselijk kapitaal
en armoede bovenop.
Beter bestuur
Brussel moet zich daarom wapenen met meer ambitieuze instrumenten voor een
industrieel beleid. Opdat de zeer grote internationale reputatie die Brussel
geniet dankzij de Europese Unie geen 'ongebruikte opportuniteit' blijft voor de
Brusselse bevolking en voor de rest van België, moeten er zowel meer middelen
komen als een beter bestuur. De versnippering van de verantwoordelijkheden en
van de begrotingen voor cultuur belet de ontwikkeling van een ambitieus
cultuurbeleid om de concurrentie met de andere Europese hoofdsteden aan te
gaan.
Brussel verdient daarom een betere financiële en institutionele behandeling
door de federale staat. Het wordt te zeer gegijzeld door het conflict tussen
Vlaanderen en Wallonië, en dat belet de aanpak van zijn specifieke problemen.
Maar Brussel lijdt soms ook door louter institutionele problemen van
intra-Franstalige aard. Denk maar aan de financiering van het onderzoek, dat
grotendeels een regionale bevoegdheid is, niettegenstaande Brussel aardig wat
laboratoria telt. En ten slotte lijdt Brussel ook onder zijn eigen
complexiteit, met een Région, drie gemeenschapscommissies en 19 gemeenten die
niet erg geneigd zijn samen te werken.
Brussel en Wallonië moeten nauwer samenwerken. De Waalse concurrentiepolen
zouden gemakkelijk kunnen worden uitgebreid tot het Brussels Gewest via een
samenwerkingsakkoord. De complementariteit tussen de bedrijven met meerdere
vestigingen of tussen de universiteiten die de twee regio's overspannen, moet
al dan niet via onderzoeksnetwerken worden uitgebreid.
Ook met Vlaanderen en met het federaal niveau moet er een betere coördinatie
komen, net zoals tussen het Brussels Gewest en zijn gemeenten. Alleen dan kan
een coherent en ambitieus plan op tafel komen, vergelijkbaar met het opzet van
het Marshallplan en de 'Europese hoofdstad' waardig.
Onderwijs en onderzoek
Onderwijs, opleiding en onderzoek is een sleutel voor economisch succes.
Genoeg studies hebben al het verband gelegd tussen onderwijsniveau, menselijk
kapitaal en onderzoekskapitaal enerzijds en economische groei anderzijds.
Jammer genoeg kampt Franstalig België ook daar met belangrijke zwakheden. Om te
groeien moeten ontwikkelde economieën bovenal de nadruk leggen op het hoger
onderwijs. De VS hebben dat begrepen maar landen als Frankrijk niet. Het
verplicht onderwijs wordt er voldoende gefinancierd maar de universiteiten
niet.
Qua financiering lijkt Franstalig België op Frankrijk. Ons verplicht
onderwijs is wel niet ondergefinancierd in verhouding met het aantal
leerlingen, maar dat belet niet dat de leerkrachten zwaar gedemotiveerd zijn en
dat er een tekort is aan leerkrachten met de juiste kwalificatie. Het hoger
onderwijs wordt te weinig gefinancierd door zijn massificatie zonder
proportionele verhoging van de middelen.
Vanwaar dan de paradox? In internationale vergelijkingen scoort het
Franstalig hoger onderwijs merkelijk beter dan het verplichte. Het geeft aan
dat er een tweesporenbeleid nodig is: de performantie van het verplichte
onderwijs moet beter, en die van het hoger onderwijs moet worden beschermd met
een herfinanciering, met oog voor efficiënt bestuur.
Een natuurlijk vertrekpunt voor ambitieuze hervormingen is 'benchmarking',
het vergelijken van de performantie van ons onderwijssysteem met stelsels die
goede resultaten neerzetten. Vlaanderen presteert op dat vlak gemiddeld beter
dan Franstalig België, maar doet het niet veel beter inzake ongelijkheid. Het
zou interessant zijn na te gaan of organisatorische verschillen dat kunnen
verklaren. Even nuttig is te vergelijken met landen als Finland, dat zowel zijn
gemiddelde prestatie als het verschil tussen hoogste en laagste performanties
heeft kunnen verbeteren. De twee aanpakken is cruciaal om het bbp per hoofd in
Franstalig België te verhogen en de werkloosheid, waar vooral de
laaggeschoolden aan ten prooi vallen, te verminderen.
Door de huidige goede prestaties van het hoger onderwijs mogen we niet op
onze lauweren rusten: onze universiteiten genieten momenteel van een
'stock-effect' dankzij de voorbije financieringen. Er is een reëel risico op
achterstand in de toekomst. Want zeker in vergelijking met Vlaanderen heeft
Franstalig België te weinig de nadruk gelegd op het fundamenteel onderzoek
tegenover het toegepast onderzoek. Het fundamenteel onderzoek zit bij de
Gemeenschap, meer dan bij het Gewest.
Op het niveau van de organisatie van het onderwijs riskeren we een
achterstand op de 'evaluatiecultuur' die overal in Europa opgeld maakt. Laten
we vooral Zweden, Denemarken, Zwitserland, Finland en Ierland in het oog
houden. Maar ook Vlaanderen kan een inspiratiebron zijn, met zijn nieuw
financieringsplan voor het hoger onderwijs, en vooral met zijn zeer performante
Vlaamse instituten voor biotechnologie (VIB), micro-elektronica (IMEC) en
technologie in het algemeen (VITO). Ze combineren excellentie met kritische
omvang, staan internationaal hoog aangeschreven en zouden onze overheden en
onze universiteiten moeten inspireren.
In onderwijs en onderzoek moeten we snel en krachtig reageren, omdat de
concurrentie om gekwalificeerde arbeidskrachten en de beste onderzoekers aan te
trekken internationaal nog zal toenemen. Bovendien zijn de jobs met hoge
toegevoegde waarde, die ons bruto binnenlands product (bbp) de hoogte kunnen
insturen, een kwestie van goed opgeleide individuen. En alhoewel we ons
aantrekkelijker moeten maken voor buitenlandse arbeidskrachten, moet men geen
mirakels verwachten van een gericht immigratiebeleid. De plaatselijke
arbeidskrachten degelijk opleiden is het allerbelangrijkste.
Op het vlak van competentieverwerving en permanente vorming om de
arbeidsvooruitzichten van de werklozen te verbeteren en de werknemers zich
beter te laten aanpassen aan de noden van de arbeidsmarkt, is het verband
tussen uitgaven en resultaten teleurstellend. De inspanningen voor onderwijs en
opleiding moeten gekoppeld worden aan de strijd tegen discriminatie op de
arbeidsmarkt. Heel wat migranten zijn overgekwalificeerd voor de job die ze
uitoefenen.
Wij vinden dus dat er zonder dralen een 'globaal Marshallplan' moet komen.
Dat moet vanaf 2009 onderwijs, vorming en onderzoek integreren. Het moet tot
stand komen via een actieve en duurzame samenwerking tussen het Waals Gewest,
het Brussels Gewest en de Waals-Brussels Gemeenschap.
Efficiëntere administratie
Ook de overheidsadministratie is voor verbetering vatbaar. Want ook de
kwaliteit van het openbaar bestuur is nauw verbonden met economische groei.
Heel wat pijnpunten gelden trouwens ook voor het federaal niveau en voor
Vlaanderen, zoals de rigiditeit van het ambtenarenstatuut en van de loonschalen
en de politisering van de benoemingen. Maar sommige problemen, zoals de
overdreven omvang van de ministeriële kabinetten, zijn nog groter bij ons.
Performantie-indicatoren zijn zeker aangewezen, vooral als je geen
concurrentie hebt. Ze opstellen kan ingewikkeld zijn: wat is een performante
universiteit, een performante gemeente, een performante administratie? Er
zullen heel wat criteria zijn, maar dat mag geen beletsel zijn om te vergelijken.
Die indicatoren moeten dan gebruikt worden voor benchmarking. Daartoe moet je
dan natuurlijk wel de meest volledige informatie hebben over het reilen en
zeilen bij de overheid. Nu zijn er veel verschillen naargelang het
bestuursniveau. Zeker op lokaal vlak is er te weinig informatie, daar waar
gegevens over federale, gewestelijke en gemeenschaps- budgetten online
beschikbaar zijn. De ontwikkeling van de indicatoren vraagt zeker om
buitenlandse (veel meer) onafhankelijke experts, en dat geldt evenzeer voor de
depolitisering van de benoemingen.
Een andere manier om instellingen beter te laten functioneren is ze te laten
evolueren tot 'autonoom maar verantwoordelijk agentschap'. Die strategie,
pertinent voor bijvoorbeeld het 'Agence de Stimulation Economique' en het
'Agence de Stimulation Technologique' is veelal noodzakelijk om het geweer van
schouder te doen veranderen. Geresponsabiliseerde openbare agentschappen met
een goed afgelijnde opdracht neigen naar goede performantie, precies om hun
autonomie te kunnen behouden.
De intermediaire structuren in Wallonië tussen de gemeenten en het Gewest -
de provincies en de intercommunales - worden door velen bestempeld als de
'institutionele lasagne'. Er is al de aangekondigde vermindering van het aantal
intercommunales, maar een fundamentele herziening van dat tussenniveau lijkt
onafwendbaar. Al moet ook daar onderscheid gemaakt worden tussen strategische,
operationele en technische beslissingen.
We hebben ons beperkt tot het huidige Gewest- en Gemeenschapsbeleid, niet
over de brandend actuele kwestie rond de bevoegdheden die er nog zouden kunnen
bijkomen. We hebben dat gedaan omdat we het essentieel vinden, welk
institutioneel scenario er de komende maanden ook uit de bus komt, dat de vraag
naar hoe Franstalig België bestuurd moet voluit en op verschillende niveaus
wordt aangepakt.
-- Mathias Dewatripont is voorzitter van het 17de Congres van Franstalige
Belgische economen. De covoorzitters
van de vier congrescommissies zijn Frédéric Docquier, Françoise Thys-Clément,
Henri Capron, Michel Mignolet, Michel Allé, Jacques-François Thisse, André
Sapir en Christian Valenduc.
Laatste reacties